parallax background

The smiling coast of Africa

april 21, 2017
Rohey Dubois
Rohey Dubois
april 20, 2017
Il faut le fair uitgelicht
Il faut le faire
april 26, 2017
 

12 maart - Half Die

 

Onder de brandende Afrikaanse zon varen we langzaam richting de monding van de rivier. De monding is zo breed dat slechts één oever zichtbaar is. Eenvoudige vissershuisjes staan vredig op het strand. Daarvoor liggen de kleurrijke houten bootjes, de helft op het strand, de andere helft dobberend voor de kust. Het leven gaat ongestoord verder terwijl we voorbij drijven, alsof we kijken naar een toneelstuk en doorvaren naar het volgende decor. Een klein bootje komt ons tegemoet en wijst ons een ankerplaats, begeleid door een brede glimlach en de uitnodigende woorden “Welcome to the smiling coast of Africa! Welcome to Gambia!”. De afgelopen vier dagen was de zee extreem rustig zodat zelfs Olivier kon genieten van de overtocht. In zijn hoofd stapt hij niet meer van de boot, al is dit geen garantie voor een zeeziek vrije overtocht.

De eerste dag leggen we de dinghy ’s ochtends vroeg aan de steiger van de vissershaven. Iedereen moet mee naar het immigratiebureau om een bezoek en inspectie aan boord te vermijden. Dat weegt zelfs op tegen het alleen laten van de boot in de haven, waar we de enige zeilboot zijn. Onze lokale gids van de dag, Mo, leidt ons langs de verschillende bureaus. Banjul is de hoofdstad van Gambia, maar daar heeft het niet de schijn van. Stoffige, onverharde straten, volgepakt met vrachtwagens uit de haven en de laagbouw doen het eerder lijken op een kleine provinciestad. Tot en met de immigratiedienst verloopt alles voorspoedig. We krijgen een stempel voor 21 dagen en tellen uit dat 4 april de grote oversteek begint. Even later stappen we het volgende bureau binnen. Het hoofd van 'de customs' heeft iets corrupt, een smerige glimlach, die doet vermoeden dat hij het spelletje niet eerlijk speelt. Met de stempel op het aangiftedocument loopt hij naar Dieter en Margrit. Geen inspectie, alles lijkt in orde, maar dan vraagt hij “do you have a present for me?”, waarna hij fluisterend uitlegt dat het anders een lastige dag wordt voor de kapitein. Dieter en Margrit missen ervaring met dit spel en zijn een vogel voor de kat. Ze schuiven een aardig bedrag onder tafel, en keren later in de middag terug als ze de corrupte ambtenaar roepend op de hoek van de straat zien staan en hij al knipogend zegt "don't forget me". Hoofdschuddend staan we erbij en kijken er naar. Acht uur later stappen we vermoeid, met alle nodige documenten, in de dinghy.

 

De ankerplaats in de haven van Banjul is geen plaats om lang te blijven. Banjul is niet inspirerend, de sterke getijdestromingen en vele vissersboten zorgen dat we snel verder varen naar een rustiger oord. Op weg naar de Lamin lodge varen we een vertakking van de rivier in, een bolon, die in het begin zo breed is als de Maas. Beide oevers staan vol met mangrovebossen die de perfecte kustbescherming en broedplaats voor vogels vormen. Gambia staat, naast het strandtoerisme, bekend als een vogelparadijs. Dagelijks zien we nieuwe vogelsoorten en zelfs de duif maakt hier een merkwaardig mooi geluid. In de brede bolon is er slecht een smalle bevaarbare geul en de zandbanken wisselen soms van plaats. Tweemaal raken we vast en persen alles uit de motor om los te raken uit het zand. Met een beetje kaartkundig vernuft, was het niet nodig geweest, maar de dromerige kapitein vergeet op zijn leeftijd soms wat. De Lamin lodge ligt goed verscholen in de bolon op een idyllische plek. De naam 'lodge' is misschien prestigieus voor de staat van het houten complex, maar rustiek en authentiek is het een prachtige plek. Verbazend genoeg ligt het vol met andere zeilboten, al liggen ze er bijna allemaal geruime tijd.

Rond de mangroves zien we verschillende houten kano's, pirogues, waarin vrouwen oesters verzamelen. Een zwaar werk met de sterke stroming in moeilijk bereikbare plekken. Dagelijks peddelen ze bij laagtij met de gammele bootjes in de mangroves om de oesters te verzamelen. Vaak komen ze van ver in het land en werken negen maanden aan een stuk in dezelfde bolon. Per dag verzamelen ze vijf tot zes grote emmers vol oesters die in grote bergen aan land opgestapeld worden. De oesters eten ze niet zoals bij ons, waarbij je slurpend de oester naar binnen werkt. Hier wordt de oester gekookt en de inhoud verkopen ze vervolgens op de markt. De oesterschelpen verbranden ze op een grote hoop zodat er een wit poeder overblijft dat gebruikt wordt als verf of basis voor cement. Het is een van de weinige ambachten die overblijft in de dorpjes aan het water. Vroeger waren dit de handelscentra. Door de aanleg van wegen is het leven verschoven naar dit snellere transport.

Na vele dagen samen op de boot hebben weer nood aan onze eigen tijd. We trekken een paar dagen rond in de regio aan de atlantic coast alvorens we verder zeilen over de rivier. Vanuit de Lamin lodge loopt de zandweg eerst door het dorpje Lamin. Eenvoudige huisjes met zanderige straten zijn omgeven door een gigantische hoeveelheid mangobomen, die helaas voor ons nog niet rijp zijn. Over twee maanden vallen ze met hopen uit de boom en start er een vreetfestijn want om te bewaren, ontbreekt hier de koeltechniek. Samen met de mangobomen komen de cashewnoten die in verschillende plantages worden aangelegd. Op het einde van het regenseizoen barst het van de sinaasappels, maar het grootste exportproduct zijn de pinda's. Stuk over pinda's. Dromend over rijpe mango's struinen we verder door het dorp en stoppen bij een van de goed verscholen winkeltjes. Achter een raam van kippengaas zit een verkoper tussen het volgepakte koopwaar. Bijna alle producten zijn lang houdbaar, maar de mensen kopen vooral zoetigheden, een sigaret of tapalapa, het enige verse dat er is. Het is de naam voor het stokbrood dat belegd wordt met ei, aardappel, bonen, kip of vis en afgekruid met jumbo, verkruimelde bouillon. Een beter ontbijt of lunch bestaat er niet.

 

De onrustige tijd na de verkiezingen is voorbij. Het volk is blij met de nieuwe president en praat openlijk tegen ons over de veranderingen en hoe slecht het hiervoor was. Iets wat tijdens de vorige president onmogelijk was. Muren, t-shirts en posters staan vol met #Gambiahasdecided. Iedereen is optimistisch over de toekomst van Gambia en blij dat er terug toeristen zijn. “Hello my friend. How are you? What’s your name? Which country?” zijn de standaard openingsvragen waarna je nog moeilijk verlost raakt van de Gambiaan die bereidwillig zijn diensten aanbiedt. De kinderen hebben deze zinnetjes perfect gekopieerd, al volgt hier geen vraag naar geld, maar wel naar een voetbal of een mynté, waarmee ze eender welk snoepje verlangen. Wat het antwoord ook is, de vriendelijke lach en “Welcome, welcome!” volgt altijd.

Eenmaal op de grote weg bruist het Afrikaanse leven. Toeterende minibusjes laveren tussen de fietsers en ezelkarren. Ze schreeuwen de plaatsnamen en persen de busjes vol voor die extra twintig cent. Langs de straat staat het vol met kleurrijke winkeltjes en workshops. De specialiteit staat als reclame op de muur geschilderd en elke vijftig meter verkopen ze dezelfde ambacht. De vrouwen verkopen het fruit, mannen naaien de kleren. Het krioelt van de fietsenwinkels en met verbazing kijken we naar een aantal vintage fietsen die in Nederland veel waard zouden zijn. De werkloosheid mag dan enorm zijn in Gambia, in het niet officiele circuit doet iedereen wat. Dichter bij Serekunda, de grootste stad, is het chaos troef. De busjes en taxis persen zich door de volgepakte straten die met ontelbare kleuren gevuld zijn. Een onophoudelijk getoeter er geroep stijgt op uit de straten terwijl elke verkoper je aanklampt naar zijn uitgestalde waar. De stortvloed aan indrukken kost ontzettend veel energie zodat we een uur later met suizende oren de deur van een verscholen guesthouse dichtdoen, oef!

De koude douche voelt als het grootste genot. De natte druppels vegen vier weken zoute lucht en zweet van ons af. Als de druppels onze tenen bereiken, zijn ze bruin en verzadigd van vuil. De stijve haren worden terug zacht en een nieuwe huid verschijnt aan de oppervlak. Vier weken zonder douche is absoluut een nieuw record en hopelijk breken we dat niet al te vlug. Fris gewassen stappen we terug de chaos in. Het openbaar vervoer werkt anders dan in Kaapverdië zodat we even moeten zoeken naar de juiste bus. Onze bestemming is blijkbaar niet populair terwijl elke toeristengids het aanprijst. Het Bijilo monkey park draagt de wonden van een hevige politieke twist. Pas op het laatste moment heeft het ministerie van Milieu en wildlife de bouw van een groot hotelcomplex kunnen verhinderen. Op verschillende plaatsen in het park zijn de bomen al gekapt en de wandelpaden liggen er verloederd bij. Bij de ingang staat een bord met de nadrukkelijke tekst “Please don’t feed the monkeys”. Eenmaal het bord gepasseerd, vraagt een enthousiaste gids of we nootjes willen kopen voor de aapjes, want voeren hoort bij het bezoek. Verbaasd lezen we nog een keer het bord en voeren een zinloze discussie met de lokale gids. Twee weken later spreken we met de secretaris generaal van de minister van milieu over dit verbazende tafereel. Het monkey park is een van hun prioriteiten, maar het voeren van de aapjes is ook voor hem onderdeel van de pret.

 

Een groot deel van de kust in Gambia is gereserveerd voor grote resorts waar westerse toeristen overwinteren bij het strand. Verder naar het zuiden overleven de authentieke vissersdorpjes gelukkig wel. Tanji lijkt op het eerste zicht een stoffige overstapplaats voor de minibus, maar twee stappen in de richtingen van het strand bevindt zich een andere wereld, vol kleur en geur van alle stadia van de vis. Het strand ligt vol met de prachtige versierde vissersboten. Ze zijn allen handgemaakt en kosten voor de Gambiaan een fortuin. Vaak zijn het rijkere Gambianen die een boot verpachten in ruil voor een deel van de opbrengst. Het tafereel op het strand is net een levend schilderij. Uren kan je blijven kijken naar elk prachtig uitgewerkt detail. Op het water het binnenhalen van de verse vis, de grote zwermen meeuwen die speuren naar een weggegooide bijvangst, de slapende vissers onder hun boot op het strand of de verzameling oude koelkasten volgestouwd met de laatste opbrengst. Een groot deel van de verse gevangen vis wordt gerookt boven grote vuren en verkocht ver buiten Gambia. De afvalresten verzamelen ze in grote emmers die terechtkomen op de vuilnisbelt. Tussen het composterende visafval scharrelen de gieren, zoals de kippen in onze tuin. Een onwaarschijnlijk tafereel, maar zo normaal voor de lokale man. De geuren zijn intens en bijzonder penetrant. Als we ’s avonds aankomen in ons verblijf stinken we uren in de wind. Drie dagen later lopen we nog steeds op rotte vis en schamen ons als we ergens binnen gaan.

Op zoek naar een etensplek stappen we binnen in een klein restaurant. De eigenares, Rohey, werkt volgens een bijzonder concept. Ze pakt snel een boodschappentas en neemt ons mee naar de vissershaven en de lokale markt. We kopen samen alle ingrediënten en betalen braaf de kooplui terwijl Rohey zegt “Give her twenty Dalasi”. Met een hele tas vol gaat ze vervolgens aan de slag en kookt met een kaars in de hand een fantastisch feestmaal. Op andere plaatsen in de stad eet je voor minder dan een euro een Gambiaans gerecht. (Portret Rohey). Vaak wordt het fastfood genoemd wat hier vooral snel en niet ongezond is. Hygiënisch gaat het in tegen elk reisadvies, maar meer lokaal dan dit vind je het zeker niet. Alleen de vissenkop die standaard op het bord ligt, laten we voor wat het is. De bekendste lokale gerechten zijn Domoda, rijst met pindasaus, Yassa, rijst met mosterdsaus en Bechakin, rijst met tomatensaus. Mo verzekerde ons al dat een dag zonder rijst niet bestaat voor een Gambiaan. Uitgerust en met een overvloed aan rijst keren we terug naar de boot en maken ons op voor de zeiltocht op de rivier, al brengt die wat anders dan we hadden gehoopt...

4 Comments

  1. ellen zegt:

    Spannende cultuur als je er oog voor hebt. Mooi!

  2. Mia zegt:

    Zo herkenbaar, wij zijn jaren terug in Togo een vriend van mijn man gaan bezoeken. Deze was daar aanwezig om bomen enz …te planten. Geld …was het enige wat telde. Voor onze veiligheid, voor ons vervoer, voor onze uitstappen en voor ons voedsel enz ..’altijd moesten we extra bij betalen. Gewoon omdat we blank waren, blank =geld . Heel jammer, want de natuur, de dieren en de eenvoudige mensen die we ontmoet hebben tijdens enkele uitstappen waren indrukwekkend.

  3. lieve zegt:

    Een andere wereld,
    tussen de zeiltochten door toch ook veel moois beleefd!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

WeLeaf voor pop up

Volg onze reis!

 

 

Wil jij ook over onze nieuwe verhalen, avonturen en duurzame projecten lezen? Laat dan hier je email achter en ontvang zo nu en dan een nieuwe update!

 

Gelukt! Je krijgt binnenkort de eerste nieuwsbrief in jouw mail!